Abstract & Overview
was een van de meest invloedrijke en vernieuwende architectuurhistorici van de late twintigste eeuw.Vandaag echter wordt zijn oeuvre vooral geïnterpreteerd vanuit het erg specifieke denkkader van zijn traktaat uit 1973, Progetto e utopia.Algemeen beschouwd als de fundamentele referentie voor Marxistische architectuurgeschiedschrijving, heeft deze tekst Tafuri een internationale reputatie bezorgd en bepaalde ze de verdere toekomst van de zogenaamde School van Venetië.Een dergelijke lectuur gaat echter grotendeels voorbij aan Tafuri's wetenschappelijk onderzoek naar de Venetiaanse, Florentijnse en Romeinse Renaissance, dat door een nagenoeg compleet verschillend publiek als belangwekkend wordt beschouwd.Terwijl zijn bibliografie bijna dertig boeken en vele wetenschappelijke referaten en artikelen over de dertiende tot twintigste eeuw omvat, hebben weinig onderzoekers een reële poging gedaan om de bijdrage van Tafuri tot de geschiedenis en de historiografie van architectuur te bepalen, tenzij via de in de jaren 1970 geformuleerde categorieën.Dit proefschrift gaat in op de fundamentele discordantie in deze lectuur van Tafuri's werk, die, zeker binnen een anglo-Amerikaanse context, de neiging vertoont de basiscontinuïteit in zijn bibliografie terzijde te schuiven.Het beargumenteert dat de intellectuele carrière van Tafuri een dertig jaar durend onderzoek vormt naar de instrumenten en taken eigen aan een autonome discipline van architectuurgeschiedenis.We stellen dat hij daarbij, op volhardende wijze, zowel nieuwe analytische instrumenten als deze van gevestigde historische disciplines heeft getest op hun toepasselijkheid voor de historische studie van architectuur.Vertrekkend van Tafuri's 'beslissing' om te opereren in het veld van de geschiedenis, en niet in dat van de architectuurpraktijk, positioneert het proefschrift Tafuri binnen de bredere stromingen van de naoorlogse Europese intellectuele geschiedenis, en wil het tegelijk pleiten voor een samenhangend begrip van de verantwoordelijkheden van de historicus binnen de architectonische cultuur zoals die aanwezig is in het gehele gepubliceerde werk van Tafuri.Het proefschrift onderzoekt daartoe de manier waarop Tafuri's werk getuigt van een kennis van de denkbeelden van Freud, van naoorlogse Marxistische intellectuelen in Italië en elders, van Benjamin, Sartre én van filosofische strategieën die in de jaren '70 en '80 opdoken.Het nagaan van de historische verhouding van Tafuri met deze figuren vormt onderwerp van studie, maar tegelijk [en vooral] worden hier zijn publicaties aan analyse onderworpen om te achterhalen hoe bij Tafuri deze specifieke lecturen, waarin hoogst persoonlijke en openlijk contextuele dimensies elkaar kruisen, een historische 'praktijk' sturen.Het proefschrift beargumenteert dat zijn studies over eigentijdse architecten en historici, zowel als over historische onderwerpen (hier hoofdzakelijk Piranesi en Borromini), de basis vormen van een zoektocht waarbij het potentiële referentiekader continu wordt getoetst om op vi die manier de doeleinden en de 'instrumenten' van de historische 'praktijk' scherper te stellen.Het proefschrift schuift met andere woorden als these de voorwaardelijke autonomie van de geschiedenis naar voor: een discipline die verschilt van de architectuur, maar desalniettemin afhankelijk blijft van een architectonische kennis.Tafuri bouwt zijn historische 'praktijk' zo op dat een positie van geïnformeerd antagonisme kan worden behouden, waarbij het zelfverwijzend karakter van het gebruik van geschiedenis binnen de architectuurtheorie, zelfs al is dit gebruik complex en ingewikkeld, voortdurend kritisch wordt bevraagd.Zijn analyse van de instrumenten waarmee een plaats in architectonische cultuur kan worden verzekerd, komt overeen met een strategie van een discipline zonder vorm, die alleen via een zich eigen zijnde 'praktijk' kan ontwikkelen.Het is precies deze benadering, zo besluit dit proefschrift, die voor de lezers van Tafuri diens werk vaak zo ongrijpbaar maakt.